Metabole en endocriene aandoeningen bij ezels

Ezels worden wereldwijd steeds vaker gehouden als gezelschaps- en therapiedieren, waardoor de vraag naar
gespecialiseerde medische kennis toeneemt. Hoewel ze fysiologisch verwant zijn aan paarden, vertonen ezels
uitgesproken verschillen in metabolisme, endocriene regulatie en gedragsmatige reactie op ziekte. Hierdoor
presenteren aandoeningen zich vaak subtieler en ontwikkelen ze zich sneller dan verwacht, wat diagnostiek en
behandeling bemoeilijkt. Recente literatuur, waaronder het uitgebreide overzicht van Mendoza et al. (2018), wijst
erop dat drie groepen aandoeningen in het bijzonder van klinisch belang zijn: hyperlipemie, insulinedisregulatie
(ID) en Donkey Metabolic Syndrome (DMS), en pituitary pars intermedia dysfunction (PPID).

Hyperlipidemie

Pathofysiologie

Hyperlipemie vormt de meest acute metabole bedreiging bij ezels en wordt gekenmerkt door een plots
optredende negatieve energiebalans die leidt tot een uitgesproken lipidenmobilisatie. Wanneer een ezel door
ziekte, stress, transport, pijn of anorexie minder energie opneemt, wordt hormoongevoelige lipase geactiveerd,
wat resulteert in een massale vrijstelling van non-esterified fatty acids (NEFA’s) uit vetweefsel. De lever probeert
deze NEFA’s te verwerken door ze te re-esterificeren tot triglyceriden, die vervolgens via VLDL worden
uitgescheiden. Bij ezels is de capaciteit van de lever om deze vetstroom te verwerken echter snel overbelast,
waardoor triglyceriden zich ophopen in het leverparenchym. Dit proces leidt tot hepatische vetaccumulatie,
cholestase en uiteindelijk leverfalen. In ernstige gevallen is zelfs leverruptuur beschreven.

Risicofactoren

De variatie aan risicofactoren is aanzienlijk. Anorexie gedurende meer dan 12 tot 24 uur vormt een van de
belangrijkste triggermechanismen, aangezien ezels een zeer efficiënte vetmobilisatie hebben en hun
glycogeenreserves beperkt zijn. Onderliggende medische problemen zoals koliek, infecties, orthopedische pijn of
respiratoire aandoeningen spelen een rol, evenals dracht en lactatie, waarbij de energiebehoefte duidelijk
verhoogd is. Daarnaast wordt in de literatuur benadrukt dat ezels zeer gevoelig zijn voor psychosociale stress;
veranderingen in management, transport, verlies van een kuddegenoot of huisvestigingswissels kunnen al
voldoende zijn om de energiebalans te verstoren. De stoïcijnse aard van ezels maakt het bovendien moeilijk om
vroege ziekte-indicatoren te detecteren, wat de kans op een ernstige metabole ontsporing vergroot.

Klinische presentatie

De klinische presentatie van hyperlipemie is vaak vaag en subtiel. Anorexie vormt meestal de eerste indicator,
gevolgd door lethargie, depressie, verminderde reactiviteit, lichte icterus en soms aspecifieke koliekverschijnselen.
In een gevorderd stadium kunnen neurologische symptomen optreden als gevolg van hepatische encefalopathie.
Omdat ezels pijn en malaise uitzonderlijk goed maskeren, wordt hyperlipemie vaak pas vastgesteld wanneer er al
belangrijke metabole schade aanwezig is.

Diagnostiek

De diagnose gebeurt primair door bepaling van serumtriglyceriden. In het artikel van Mendoza et al. worden
normale waarden beschreven tussen 60 en 248 mg/dL, terwijl waarden boven 400 mg/dL (4,4 mmol/L)
diagnostisch zijn voor hyperlipemie en concentraties boven 10 mmol/L geassocieerd worden met ernstige ziekte.
Aanvullende diagnostiek omvat leverenzymen, bilirubine, glucose en insuline. Hypoglycemie wordt geregeld gezien
als gevolg van verminderde gluconeogenese, maar in andere gevallen leidt insulineresistentie tot hyperglycemie.
Echografisch onderzoek kan een hyperechogene lever tonen, passend bij vetaccumulatie, maar is niet altijd
noodzakelijk voor het stellen van de diagnose. Een belangrijke klinische aanbeveling is dat elke anorexische ezel
binnen enkele uren op hyperlipemie moet worden getest, ongeacht de oorzaak van de anorexie.

Behandeling

De behandeling van hyperlipemie moet snel, intensief en multifactorieel zijn. De eerste stap bestaat uit het
herstellen van de energiebalans door smakelijk ruwvoer aan te bieden of, indien nodig, nasaal-oesophageale
voeding toe te passen. Bij ernstige anorexie adviseert Mendoza intraveneuze glucose-infusies, aangevuld met
eventueel parenterale voeding indien enterale opname onvoldoende is. Omdat insuline een belangrijke regulator
is van lipolyse, kan de toediening van insuline via een continue intraveneuze infusie (0,1 IU/kg/uur) de
vetmobilisatie effectief remmen. Tegelijkertijd moet steeds de onderliggende oorzaak worden behandeld,
bijvoorbeeld door pijnstilling, antimicrobiële therapie of koliekmanagement. Correctie van dehydratie,
elektrolytstoornissen en acidose vormt een essentieel onderdeel van de ondersteunende zorg.

Prognose

De prognose hangt nauw samen met de snelheid waarmee behandeling wordt gestart. Laat herkende hyperlipemie
kent een mortaliteit die kan oplopen tot zestig tot tachtig procent, terwijl vroegtijdige interventie de overleving
aanzienlijk verbetert. Zodra leverfalen zich ontwikkelt, wordt de prognose gereserveerd tot slecht.

Donkey metabolic syndrome en insulinedisregulatie

Ezels ontwikkelen regelmatig metabole ontregeling die vergelijkbaar lijkt met Equine Metabolic Syndrome bij
paarden, maar duidelijk soortspecifieke endocriene variaties vertoont. Ezelinnen vertonen een verlaagde
insulinesensitiviteit in vergelijking met ruinen en hengsten en dat oudere ezels minder insuline produceren, wat
hun risico op metabole instabiliteit verhoogt. Obesitas vormt een belangrijke predisponerende factor, omdat
toegenomen vetmassa leidt tot een verhoogde insulinerespons en inflammatoire belasting. Insulinedisregulatie
verhoogt niet alleen het risico op laminitis maar ook op hyperlipemie, waardoor snelle herkenning essentieel is.
De diagnostiek van insulinedisregulatie bij ezels vereist het gebruik van ezel-specifieke referentiewaarden,
aangezien paardenwaarden niet rechtstreeks toepasbaar zijn. De Donkey Sanctuary rapporteert normale niet
gefast insulineconcentraties tussen 0 en 15,1 µIU/mL, terwijl Gehlen et al. een bereik beschrijft tussen 0,7 en 14,4
µIU/mL. Hoewel er nog geen definitieve grenswaardes bestaan, wordt een basale insulinewaarde boven 20 µIU/mL
doorgaans beschouwd als indicatief voor verdere evaluatie. Voor de orale suikertest is in recent onderzoek bij
ezels aangetoond dat een siroopdosering van 0,45 mL/kg, gevolgd door bloedname na zestig tot vijfenzeventig
minuten, een werkbare methode is. Waarden boven 50 µIU/mL worden daarbij als verdacht beschouwd, al blijft
deze grens voorlopig doorlopend onderwerp van onderzoek. Dynamische testen zoals de IV glucose tolerantie test of de orale glucose tolerantie test, dienen bij ezels met
aangepaste timing te worden uitgevoerd, omdat zij trager endocrien reageren dan paarden. De piekrespons treedt
later op en ook het normalisatietraject verloopt vertraagd, waardoor langere meetintervallen noodzakelijk zijn
voor een correcte interpretatie.
Het management van DMS en insulinedisregulatie rust primair op voeding en lichaamsconditiecontrole.
Gewichtsreductie moet voorzichtig en gecontroleerd worden uitgevoerd om het risico op hyperlipemie te
vermijden. Een droge-stofopname van 1,25 tot 1,5% van het ideale lichaamsgewicht per dag wordt algemeen
aanbevolen. Ruwvoer met laag suikergehalte vormt de basis van het rantsoen, terwijl weidegang gedurende
risicoperiodes beperkt blijft. Aanvullend speelt regelmatige lichaamsbeweging, mits er geen contra-indicaties zoals
laminitis zijn, een belangrijke rol in het verbeteren van insulinesensitiviteit. De inzet van metformine wordt soms
overwogen, hoewel de biologische beschikbaarheid variabel is en het effect bij ezels minder voorspelbaar blijkt
dan bij paarden.

Pituitary pars intermedia dysfunction (PPID)

PPID is bij ezels waarschijnlijk ondergediagnosticeerd, omdat de aandoening zich subtieler presenteert dan bij
paarden. Klassieke tekenen zoals uitgesproken hirsutisme komen minder vaak voor; in plaats daarvan worden
milde vachtveranderingen, lethargie, recidiverende infecties, spierafname en gewichtsverlies gemeld. Laminitis
blijft een belangrijke complicatie, zeker bij dieren met bijkomende insulinedisregulatie.
De diagnose van PPID bij ezels vraagt om een zorgvuldige interpretatie van ACTH-waarden, die zowel seizoens- als
testafhankelijk zijn. Onderzoek toont aan dat ezels in de zomer en vroege herfst aanzienlijk hogere ACTH-waarden
hebben dan paarden, met mediane waarden die in september boven de 120 pg/mL kunnen uitkomen. In de lente
liggen de waarden doorgaans rond twaalf tot dertien pg/mL, terwijl ze in de zomer oplopen tot meer dan vijftig
pg/mL. Hierdoor is een seizoenscorrecte interpretatie absoluut noodzakelijk om overdiagnose te vermijden.
Wanneer de ACTH-waarden zich in een grensgebied bevinden, vormt de TRH-stimulatietest een waardevolle
aanvullende diagnostische methode.
De behandeling van PPID berust op pergolide mesylaat, toegediend aan een startdosering van 0,002 mg/kg per
dag. Omdat ezels gevoelig kunnen reageren op pergolide, vooral met anorexie in de beginfase, wordt een
langzame opbouw aanbevolen. Voedingsmanagement blijft een essentieel onderdeel van de behandeling, met
nadruk op ruwvoer met een laag suikergehalte en regelmatige opvolging van de lichaamsconditie en bloedparameters.

Preventie en management

Preventief management vormt een hoeksteen in het beperken van metabole en endocriene problemen bij ezels.
Stressreductie, voorspelbare huisvesting en stabiele kuddestructuren verkleinen significant het risico op
hyperlipemie. Een uitgebalanceerd rantsoen gebaseerd op laag-suikerhoudend ruwvoer, aangevuld met
gecontroleerde hoeveelheden energie, helpt schommelingen in de energiebalans te vermijden. Dagelijkse
monitoring van eetlust, gedrag, hydratatie, mestconsistentie, lichaamsgewicht en nekvetscore biedt belangrijke
informatie over beginnende metabole afwijkingen. Oudere ezels en dieren met een voorgeschiedenis van
endocriene problemen vragen extra aandacht.

Conclusie

Ezels vertonen een uitgesproken metabole kwetsbaarheid, vooral voor hyperlipemie, dat snel en levensbedreigend
kan verlopen indien het niet tijdig wordt herkend. Endocriene aandoeningen zoals DMS, insulinedisregulatie en
PPID komen frequent voor en versterken elkaar wederzijds. De combinatie van fysiologische verschillen, subtiele
ziekte-uitingen en specifieke referentiewaarden vereist een ezel-gerichte aanpak in diagnostiek, behandeling en
management. Recente literatuur, aangevuld met richtlijnen en jouw PDF-bron, onderstreept het belang van snelle
interventie, nauwgezette monitoring en aangepaste therapeutische strategieën om de prognose van deze
aandoeningen te verbeteren.

Referenties

  • Mendoza F.J., Toribio R.E., Pérez-Eco P. & Encinas T. (2018). Donkey Internal Medicine—Part I: Metabolic,
  • Endocrine, and Alimentary Tract Disturbances. Vet Clin North Am Equine Pract, 34(1), 43–63.
  • Mendoza F.J., Galán M., Pérez-Eco P., Encinas T. & Toribio R.E. (2024). Metabolic and Endocrine Insights in
    Donkeys. Animals, 14(3), 452.
  • Gehlen H., Rohn K., Bergeler A. & Bartmann C.P. (2020). Pituitary Pars Intermedia Dysfunction and
    Metabolic Syndrome in Donkeys. Animals, 10(11), 2155.
  • Tosun M., Kaya G. & Çelik Y. (2024). Evaluation of serum lipids, biochemical parameters, selected
    antioxidant elements and oxidative stress profiles in late pregnant jennies with hyperlipemia. Animals,
    14(1), 109.
  • Humphreys L., McKenzie H.C., Bertin F.R. & Bolwell C.F. (2022). Seasonal adrenocorticotropic hormone
    concentrations and reference intervals in donkeys. J Equine Vet Sci, 111, 104997.
  • The Donkey Sanctuary (2020–2024). Clinical Guidance on Hyperlipaemia, Endocrine Disorders, PPID
    Testing and Donkey Metabolic Syndrome. The Donkey Sanctuary Veterinary Department, UK.
  • Durham A.E. et al. (2020–2024). Endocrine testing and management of insulin dysregulation and laminitis
    in equids (open access guidance). BEVA / Donkey Sanctuary Clinical Resources.


Gerelateerde Vet Info's

14 januari, 2026

Metabole en endocriene aandoeningen bij ezels

Ezels worden wereldwijd steeds vaker gehouden als gezelschaps- en therapiedieren, waardoor de vraag naargespecialiseerde medische kennis toeneemt. Hoewel ze fysiologisch verwant zijn aan paarden, vertonen...

29 oktober, 2025

Hoefbevangenheid (laminitis)

Evidence-based pijnmanagement: van pathofysiologie tot systemische en regionale analgesie Inleiding Hoefbevangenheid (laminitis) is een ernstige en potentieel invaliderende aandoening van het paard, waarbij ontsteking en...

17 september, 2025

Atypische myopathie 

Atypische myopathie (AM), ook bekend als equine atypical myopathy (EAM) of pasture myopathy, is een acute, vaak fatale, niet-exertionele rhabdomyolyse bij grazende paarden. De aandoening...