Anamnese
Een 12-jarige warmbloed ruin vertoont sinds enkele maanden een duidelijke vermindering in prestaties tijdens het werk. Het paard springt op 1m45-niveau en werd in het verleden meermaals orthopedisch behandeld. Hoewel deze behandelingen succesvol leken, bleven de inspanningsgerelateerde klachten aanwezig. De eigenaar rapporteert dat het paard minder wil springen, sneller vermoeid is en heel occasioneel een verhoogde ademhalingsfrequentie vertoont na arbeid. Er zijn nooit symptomen van hoesten of neusvloei waargenomen.
Klinisch onderzoek
Het paard heeft een normale body condition score en een glanzende, gezonde vacht. Tijdens het klinisch onderzoek valt een onregelmatige hartslag op, met een frequentie van 56 slagen per minuut, wat voor dit paard aan de hoge kant is in rust. Links wordt een zacht end-systolisch crescendo bijgeruis van graad 2/6 gehoord, terwijl er rechts geen bijgeruis aanwezig is. De ademhalingsfrequentie, ademhalingsgeluiden en verdere klinische parameters zijn normaal. Er worden geen bijkomende afwijkingen vastgesteld.
Aanvullend onderzoek
Gezien de onregelmatigheid bij auscultatie werd het paard doorverwezen voor een electrocardiogram en een echocardiografisch onderzoek.
Het ECG toont de typische kenmerken van atriumfibrillatie, namelijk de afwezigheid van P-golven, de aanwezigheid van fibrillatiegolven (f-golven) en smalle, monomorfe QRS-complexen met een onregelmatig RR-interval.

Tijdens het inspannings-ECG komen bijkomende ventriculaire ritmestoornissen aan het licht. De ventriculaire frequentie is te hoog, met waarden boven de 220 slagen per minuut, en er zijn R-on-T-complexen zichtbaar (oranje pijl op ECG). Deze bevinding duidt op een potentieel levensbedreigende situatie, vnl. tijdens arbeid, aangezien ventriculaire ectopie tijdens inspanning een gekend risico vormt voor syncope of plotse dood bij paarden met atriumfibrillatie.

Op echocardiografie wordt een licht mitralislek vastgesteld zonder aanwijzingen voor atriale of ventriculaire dilatatie. De afmetingen van de hartkamers zijn normaal en er is geen sprake van bijkomende structurele hartziekte. Het ontbreken van atriale vergroting is prognostisch gunstig, omdat het de kans op succesvolle cardioversie aanzienlijk verhoogt en het risico op recidief verlaagt.

