Inleiding
Neonatale isoerytrolyse (NI) is een immuungemedieerde hemolytische aandoening bij het pasgeboren veulen. De aandoening ontstaat wanneer het veulen maternale antistoffen opneemt die gericht zijn tegen antigenen op zijn eigen rode bloedcellen. Deze antistoffen worden via het colostrum opgenomen en kunnen na systemische absorptie leiden tot hemolyse, anemie en icterus.
NI is een van de belangrijkste oorzaken van hemolytische anemie en klinische icterus bij neonatale veulens. Het klinisch belang ligt vooral in het vaak normale verloop direct na de geboorte, gevolgd door snelle verslechtering in de eerste levensdagen. Vroege herkenning is daarom essentieel. De aandoening kan mild verlopen, maar ernstige gevallen gaan gepaard met uitgesproken anemie, weefselhypoxie, hyperbilirubinemie, leverbeschadiging, kernicterus of sterfte.
Incompatibiliteit tussen merrie en veulen komt vaker voor dan klinische ziekte. In populatiestudies werd aangetoond dat ongeveer 14% van de veulens erytrocytenantigenen bezit die niet aanwezig zijn bij de merrie. Slechts een deel van deze incompatibele combinaties leidt tot klinische NI, omdat daarvoor ook maternale sensibilisatie en productie van voldoende relevante alloantistoffen nodig zijn. In de literatuur wordt de incidentie van klinisch relevante antistoffen geschat op ongeveer 1% bij volbloeden en 2% bij standardbreds. Bij muildierveulens is het risico duidelijk hoger, onder meer door antistoffen tegen een ezelspecifiek erytrocytenantigeen dat paarden niet bezitten.
Pathofysiologie en pathogenese
Ontstaan van maternale alloantistoffen
NI is een immunogenetische aandoening. Het veulen erft een erytrocytenantigeen van de hengst dat afwezig is bij de merrie. Wanneer de merrie eerder met dit antigeen in contact is gekomen, kan zij alloantistoffen produceren. Sensibilisatie kan optreden door blootstelling aan foetale erytrocyten tijdens een vorige partus, door placentale pathologie tijdens de dracht of door een eerdere bloedtransfusie.
Tijdens de dracht vindt bij het paard normaal geen relevante overdracht van immunoglobulinen plaats via de placenta. Het probleem ontstaat dus meestal pas na de geboorte, wanneer het veulen colostrum opneemt. Als dit colostrum antistoffen bevat tegen erytrocytenantigenen van het veulen, worden deze antistoffen via de darm opgenomen en binden zij aan de rode bloedcellen van het veulen. Daarna volgt destructie van erytrocyten (extravasculaire hemolyse), voornamelijk via het mononucleair fagocytair systeem, maar ook intravasculaire hemolyse kan voorkomen.
De meest betrokken bloedgroepfactoren zijn Aa en Qa. Deze factoren worden als sterk immunogeen beschouwd en zijn in een groot deel van de klassieke NI-gevallen betrokken. Andere alloantigenen kunnen eveneens een rol spelen, maar de klinische relevantie verschilt per populatie, ras en detectiemethode.
Gevolgen van hemolyse
De klinische gevolgen hangen af van de snelheid en de ernst van de erytrocytendestructie. Progressieve anemie vermindert de zuurstoftransportcapaciteit van het bloed. Bij ernstige anemie ontstaat weefselhypoxie, met verhoogde zuurstofextractie en mogelijk anaerobe stofwisseling. Dit kan leiden tot lactaatstijging en metabole acidose.
Door hemolyse neemt de bilirubineproductie toe. Meestal gaat het vooral om ongeconjugeerde hyperbilirubinemie. Bij ernstige ziekte kan ook hepatocellulaire schade optreden, waardoor leverenzymen stijgen en de bilirubineklaring verder verslechtert. Hemoglobinemie en hemoglobinurie kunnen aanwezig zijn bij uitgesproken intravasculaire hemolyse. Pigmentnefropathie en acute nierbeschadiging zijn mogelijke complicaties.
In de retrospectieve studie van Polkes, Giguère, Lester en Bain bij 72 veulens met NI bedroeg de overleving 75%. De belangrijkste redenen voor sterfte of euthanasie waren leverfalen, kernicterus en complicaties gerelateerd aan bacteriële sepsis. Deze studie is vooral relevant omdat zij niet alleen klinische bevindingen beschrijft, maar ook factoren identificeert die met de uitkomst samenhangen.
Klinisch beeld
Veulens met NI worden meestal normaal geboren. De eerste symptomen ontstaan vaak tussen 2 en 5 dagen na de geboorte, al zijn langere intervallen beschreven. Het klinisch beeld bestaat uit lethargie, zwakte, verminderde zuiglust, tachycardie, tachypneu, dyspneu, bleke of icterische slijmvliezen en soms pigmenturie. In ernstige gevallen kan acute sterfte optreden voordat icterus duidelijk zichtbaar is.
De ernst van de anemie varieert. Hematocrietwaarden tussen 10 en 20% worden vaak beschreven bij klinische gevallen. Bij zeer ernstige hemolyse kan de hematocrietwaarde dalen tot onder 5%. Een normale of minder sterk afwijkende hematocrietwaarde sluit ernstige ziekte niet uit, omdat hemoconcentratie de mate van anemie kan maskeren.
Neurologische symptomen zijn ongunstig. Convulsies, afwijkend bewustzijn, ernstige depressie of coma kunnen passen bij kernicterus of hepato-encefalopathie. Kernicterus ontstaat door bilirubine-afzetting in het centrale zenuwstelsel en is bij veulens met NI een ernstige complicatie.
Diagnose
Klinische verdenking en laboratoriumonderzoek
De diagnose wordt vermoed op basis van leeftijd, klinisch beeld, anamnese en laboratoriumbevindingen. Een veulen van enkele dagen oud met icterus en progressieve anemie na colostrumopname moet als verdacht worden beschouwd voor NI.
Belangrijke laboratoriumbevindingen zijn anemie, hyperbilirubinemie, hemoglobinemie, hemoglobinurie, eventueel lactaatstijging en metabole acidose. Leverenzymen kunnen stijgen bij hepatocellulaire schade. In de studie van Polkes et al. waren onder meer minimale erytrocytenconcentratie, minimale PCV, maximale bilirubineconcentratie, maximale AST-activiteit, maximale GGT-activiteit, aantal transfusies en totaal toegediend volume bloedproducten verschillend tussen overlevende en niet-overlevende veulens.
Differentiaaldiagnostisch moeten andere oorzaken van icterus en hemolyse bij het neonatale veulen worden overwogen. Belangrijke differentiaaldiagnoses zijn sepsis met diffuse intravasale stolling, bacterieel geïnduceerde hemolyse en iatrogene hemolyse na incompatibele bloed- of plasmatransfusie. Ook primaire leveraandoeningen moeten worden overwogen wanneer de klinische evolutie of biochemie niet goed past bij NI.
Immunohematologische bevestiging
Bevestiging berust op het aantonen van maternale antistoffen tegen erytrocyten van het veulen. Hiervoor kunnen serum of colostrum van de merrie worden getest tegen rode bloedcellen van het veulen.
Een agglutinatie-crossmatch is praktisch uitvoerbaar en wordt vaak gebruikt, maar is minder gevoelig dan hemolytische testen. Een hemolytische crossmatch met exogeen complement wordt beschouwd als een betrouwbaardere methode. Bloedtypering en testen met panelen van erytrocyten kunnen helpen om betrokken bloedgroepfactoren te identificeren.
De directe antiglobulinetest of Coombs-test toont antistoffen aan op het oppervlak van de erytrocyten van het veulen, maar heeft een beperkte gevoeligheid. De jaundiced foal agglutination-test, waarbij erytrocyten van het veulen worden gemengd met colostrum van de merrie, is snel en eenvoudig. Door beperkte sensitiviteit en specificiteit is deze test vooral nuttig in preventieve situaties, bijvoorbeeld vóór het veulen colostrum van een risicomerrie mag drinken.
Behandeling
Eerste maatregelen
De behandeling wordt bepaald door de ernst van de anemie en de klinische toestand van het veulen. Bij veulens jonger dan 24 uur moet verdere opname van maternale antistoffen worden gestopt. Het veulen mag dan niet meer bij de merrie drinken zolang het colostrum als risicovol wordt beschouwd. Passieve immuniteit moet wel worden verzekerd, bijvoorbeeld met donorcolostrum of intraveneus plasma.
Mild tot matig aangetaste veulens kunnen worden behandeld met rust, beperking van stress en inspanning, monitoring en ondersteunende zorg. Voeding kan zo nodig via een sonde worden gegeven. Hematocriet, bilirubine, lactaat, zuur-base-status, nierfunctie en leverparameters moeten herhaaldelijk worden gecontroleerd.
Intraveneuze vloeistoftherapie kan nuttig zijn om circulatie en diurese te ondersteunen, vooral bij hemoglobinurie. Overmatige hemodilutie moet echter worden vermeden. Bij een veulen met ernstige anemie kan daling van de zuurstofdragende capaciteit klinisch relevant zijn.
Transfusie
Bij ernstige anemie of klinische tekenen van onvoldoende zuurstoftransport is een bloedtransfusie aangewezen. Klinische indicatoren zijn persisterende of progressieve tachycardie, tachypneu, zwakte, lactaatstijging, slechte perifere perfusie of zeer lage hematocrietwaarden. Intranasale zuurstof kan ondersteunend zijn, maar corrigeert het tekort aan hemoglobine niet.
Een geschikte donor is bij voorkeur negatief voor relevante bloedgroepfactoren zoals Aa en Qa en compatibel op crossmatch. Gewassen erytrocyten van de merrie kunnen worden gebruikt omdat deze cellen de betrokken antigenen niet bezitten; het plasma moet dan wel zorgvuldig worden verwijderd om antistoffen niet opnieuw toe te dienen.
In de studie van Polkes et al. was er geen significant verschil in overleving tussen veulens die initieel compatibel volbloed kregen en veulens die gewassen maternale erytrocyten kregen. Wel was het aantal transfusies sterk geassocieerd met niet-overleving. Per extra transfusie met bloedproducten steeg het risico op niet-overleving met een factor 8,38. Dit betekent niet dat transfusie vermeden moet worden wanneer zij nodig is, maar wel dat herhaalde transfusies wijzen op ernstige ziekte en mogelijk bijdragen aan complicaties.
Hyperbilirubinemie, kernicterus en leverfalen
Hyperbilirubinemie moet actief worden opgevolgd. De kans op kernicterus nemt toe bij hogere maximale totale bilirubinewaarden. Een maximale totale bilirubineconcentratie van 27 mg/dL was in de studie van Polkes et al; de beste afkapwaarde voor het voorspellen van kernicterus, met een sensitiviteit van 83,3% en een specificiteit van 79,6%. Veulens met bilirubinewaarden rond of boven deze drempel moeten intensief neurologisch worden gemonitord.
Leverfalen is vooral geassocieerd met het totale volume toegediende bloedproducten. Veulens die in totaal 4,0 L of meer bloedproducten krijgen, hebben een verhoogd risico op leverfalen dan veulens die minder krijgen. Histologisch ziet men onder meer hepatocellulaire necrose, biliaire proliferatie, verstoring van de lobulaire architectuur en hemosiderinepigment beschreven. De ijzerbelasting door transfusie, aanhoudende hemolyse en hypoxische leverbeschadiging als mogelijke verklaringen.
Bij ernstige hyperbilirubinemie is plasma-exchange een aanvullende behandeling. Deze techniek kan bilirubine en circulerende antistoffen reduceren, maar vereist gespecialiseerde apparatuur, ervaring en intensieve monitoring. Dit is daarom vooral relevant voor ernstig aangetaste veulens in een kliniekomgeving.
Preventie
Preventie is vooral belangrijk bij merries die eerder een veulen met NI hebben gehad of waarbij alloantistoffen zijn aangetoond. Bloedtypering van merrie en hengst kan helpen om risicocombinaties te herkennen. Merries die bepaalde sterk immunogene factoren zoals Aa of Qa missen, kunnen een risico vormen wanneer zij worden gedekt door een hengst die deze factoren wel doorgeeft en wanneer sensibilisatie is opgetreden.
Bij een risicomerrie moet de partus worden opgevolgd. Het veulen mag niet ongecontroleerd colostrum opnemen voordat het colostrum is getest. Een negatieve jaundiced foal agglutination-test ondersteunt het toelaten van drinken, maar moet worden geïnterpreteerd in de context van de voorgeschiedenis en de beschikbare aanvullende testen.
Wanneer testen niet beschikbaar zijn of wanneer het colostrum positief test, moet het veulen gedurende de eerste 18 tot 24 uur worden verhinderd om bij de merrie te drinken. In die periode moet het colostrum van een donor of intraveneus plasma krijgen om passieve immuniteit te verzekeren. Na deze periode neemt de intestinale absorptie van immunoglobulinen sterk af en kan, afhankelijk van de situatie, gecontroleerd drinken bij de merrie worden hervat.
Referenties
- Polkes A.C., Giguère S., Lester G.D. & Bain F.T. (2008). Factors associated with outcome in foals with neonatal isoerythrolysis (72 cases, 1988–2003). Journal of Veterinary Internal Medicine, 22(5), 1216–1222.
- Boyle A.G., Magdesian K.G. & Ruby R.E. (2005). Neonatal isoerythrolysis in horse foals and a mule foal: 18 cases (1988–2003). Journal of the American Veterinary Medical Association, 227(8), 1276–1283.
- Broux B., Lefère L., Deprez P. & van Loon G. (2015). Plasma exchange as a treatment for hyperbilirubinemia in 2 foals with neonatal isoerythrolysis. Journal of Veterinary Internal Medicine, 29(2), 736–738.
- McKenzie H.C. III. (2018). Disorders of foals. In Reed S.M., Bayly W.M. & Sellon D.C. (Eds.), Equine Internal Medicine (4th ed., pp. 1365–1459). Elsevier.