Equine piroplasmose

Inleiding

Equine piroplasmose is een door teken overgedragen infectieziekte bij paardachtigen, veroorzaakt door de intra-erytrocytaire hemoprotozoa Theileria equi en Babesia caballi. De aandoening wordt ook beschreven als babesiose, equine malaria, biliary fever of horse tick fever. De ziekte komt voor bij paarden, ezels, muildieren en zebra’s.

De klinische relevantie ligt niet alleen in de acute ziekte, maar vooral in het dragerschap. Paarden die herstellen, kunnen langdurig of levenslang geïnfecteerd blijven zonder duidelijke symptomen. Die dragers vormen een reservoir voor overdracht via teken of via bloedcontaminatie. Dat maakt piroplasmose een belangrijk onderwerp bij internationaal transport, import, sportpaarden en paarden afkomstig uit of reizend naar endemische gebieden.

Noord-Amerika, Canada, Engeland en Australië worden officieel als vrij of niet-endemisch beschouwd, maar uitbraken zijn herhaald beschreven. De ziekte is endemisch in grote delen van tropische, subtropische en sommige gematigde regio’s, waaronder Centraal- en Zuid-Amerika, Cuba, delen van Mexico, Zuid-Europa, Azië en Afrika.

Equine piroplasmose is in België geen diagnose die je dagelijks stelt, maar ze hoort wel in de differentiaaldiagnose bij een paard met koorts, hemolytische anemie, icterus, pigmenturie, petechiën of onverklaard prestatieverlies, zeker bij import, recente reisgeschiedenis of verblijf in een regio met tekenrisico. Een negatief bloeduitstrijkje of PCR sluit dragerschap niet uit. Bij chronische of asymptomatische infecties blijft serologie belangrijk. In België is de praktische relevantie vooral klinisch bij verdachte gevallen en administratief bij import/export of internationaal transport.

Epidemiologie en transmissie

De twee betrokken parasieten verschillen biologisch en klinisch. Babesia caballi gedraagt zich als een klassieke Babesia: de parasiet invadeert rechtstreeks de rode bloedcellen en vermeerdert uitsluitend daarin. Theileria equi heeft een bijkomend ontwikkelingsstadium in witte bloedcellen vóór invasie van erytrocyten. In erytrocyten kan T. equi zich delen in vier merozoïeten, soms zichtbaar als de typische “Maltese cross”.

Bij T. equi is het persistent geïnfecteerde paard het belangrijkste reservoir. Zonder behandeling wordt dragerschap als levenslang beschouwd. Bij B. caballi kan de infectie langdurig aanwezig blijven, maar klaring door het paard is mogelijk. Ook de teek kan voor B. caballi als reservoir fungeren, omdat transovariële transmissie in de teek beschreven is.

Transmissie gebeurt hoofdzakelijk via ixodide teken. Verschillende soorten binnen onder meer Dermacentor, Hyalomma, Rhipicephalus en Amblyomma kunnen betrokken zijn, afhankelijk van regio en parasiet. Overdracht kan intrastadiaal, transstadiaal of transovarieel verlopen. Daardoor is de epidemiologie sterk afhankelijk van lokale tekenpopulaties, klimaat, seizoen, gastheerspecificiteit en de aanwezigheid van geïnfecteerde paarden.

Naast tekenoverdracht is iatrogene overdracht belangrijk. Bloedtransfusies van geïnfecteerde donoren, gedeelde naalden en met bloed gecontamineerd materiaal kunnen infectie overbrengen. Ook transplacentaire infectie bij paarden is beschreven. Dat kan leiden tot abortus, doodgeboorte of geboorte van een geïnfecteerd veulen.

Pathofysiologie en pathogenese

Na infectie ontstaat hemolyse door destructie van geïnfecteerde erytrocyten. Dat gebeurt intravasculair, onder meer bij ruptuur van erytrocyten tijdens vrijkomen van merozoïeten, en extravasculair door verwijdering van geïnfecteerde erytrocyten via de milt. Ook niet-geparasiteerde erytrocyten kunnen uit de circulatie verdwijnen, al is het mechanisme daarvan niet volledig opgehelderd.

Het gevolg is een variabele hemolytische anemie. Daarnaast worden trombocytopenie en stollingsstoornissen frequent beschreven. Mogelijke mechanismen zijn immuungemedieerde destructie, splenische sequestratie of verhoogde consumptie zoals bij diffuse intravasale stolling. Bij ernstige gevallen kunnen vasculitis, microthrombi, systemische inflammatie, multiorgaandysfunctie, nierfalen en leverbeschadiging optreden.

De milt speelt een belangrijke rol in de controle van de infectie. Paarden met een intacte milt kunnen infecties vaak overleven en onder controle houden. Splenectomie of sterke immunosuppressie kan bij dragers leiden tot herval en ernstige ziekte, vooral door T. equi.

Klinische presentatie

De ernst van de ziekte varieert sterk. Regio, stamverschillen, infectiedosis, immuunstatus en algemene conditie van het paard beïnvloeden het klinisch verloop. Theileria equi veroorzaakt doorgaans ernstigere ziekte dan Babesia caballi.

Na tekenoverdracht ontstaan klinische symptomen meestal binnen 10 tot 30 dagen bij B. caballi en binnen 12 tot 19 dagen bij T. equi. Na intraveneuze transmissie kunnen symptomen al na enkele dagen optreden.

Acute piroplasmose begint vaak onspecifiek met (hoge) koorts, lethargie, verminderde eetlust en prestatieverlies. Vervolgens ontstaan tekenen van hemolytische anemie: bleke of icterische mucosae, tachycardie, tachypneu, zwakte en pigmenturie door hemoglobinurie of bilirubinurie. Petechiën kunnen zichtbaar zijn op de mucosae, onder meer op het derde ooglid, vaak in samenhang met trombocytopenie.

Andere mogelijke symptomen zijn perifeer oedeem, koliek, diarree, respiratoire symptomen, neurologische symptomen en tekenen van systemische inflammatie. In ernstige gevallen kunnen DIC, nierfalen, leverbeschadiging en multiorgaanfalen optreden. Peracute gevallen kunnen fataal verlopen, soms met weinig voorafgaande symptomen.

Chronisch geïnfecteerde paarden vertonen meestal vage klachten: vermageren, slechte conditie, gedeeltelijke anorexie, malaise en verminderde prestaties. Rectaal onderzoek kan splenomegalie tonen, maar vaak is het klinisch onderzoek weinig specifiek.

De meeste seropositieve paarden zijn asymptomatische dragers. Ze vertonen geen duidelijke symptomen, maar kunnen wel een bron zijn voor transmissie. Bij stress, immunosuppressie, intensieve inspanning, corticosteroïden, hospitalisatie (al dan niet met een chirurgie onder algemene anesthesie) of splenectomie zien we vooral herval van T. equi.

Neonatale piroplasmose

Transplacentaire infectie kan leiden tot abortus, doodgeboorte of geboorte van een geïnfecteerd veulen. Sommige veulens lijken normaal bij de geboorte en ontwikkelen pas na twee tot drie dagen klinische symptomen. De presentatie kan bestaan uit zwakte, verminderde eetlust en later tekenen die lijken op acute piroplasmose bij volwassen paarden.

Neonatale piroplasmose kan klinisch lijken op neonatale isoerytrolyse. Dat onderscheid is belangrijk, omdat de behandeling verschilt. Zonder behandeling kan neonatale piroplasmose fataal verlopen.

Klinische pathologie

De meest consistente laboratoriumafwijking is anemie, met daling van PCV, hemoglobine en erytrocytenaantal. De erytrocytenindices kunnen variëren. Trombocytopenie wordt vaak beschreven en kan uitgesproken zijn, vooral bij dubbele infecties.

Het leukogram varieert afhv het stadium en de ernst van de ziekte. In acute infecties kunnen lymfopenie, neutropenie en soms een linksverschuiving aanwezig zijn. Fibrinogeen kan verhoogd of verlaagd zijn. Albumine varieert met hydratatiestatus, chroniciteit en bijkomende eiwitverliezende processen.

Hyperbilirubinemie komt vaak voor door hemolyse. Leverenzymen zoals ALP, SDH, AST en GGT kunnen stijgen. Bij ernstige ziekte kunnen verminderde leverperfusie en centrilobulaire necrose bijdragen aan leverafwijkingen. Pigmenturie door hemoglobinurie of bilirubinurie is een belangrijk klinisch en diagnostisch signaal. Bij systemische betrokkenheid kunnen azotemie en afwijkingen in het urineonderzoek wijzen op nierbeschadiging.

Diagnose

De diagnostische aanpak hangt af van het ziektestadium, de klinische context en het doel van de test. Bij acute ziekte kan microscopisch onderzoek van een bloeduitstrijkje diagnostisch zijn, maar alleen wanneer de parasitemie voldoende hoog is. Bij chronische infecties en dragers zijn er vaak te weinig parasieten aanwezig in het bloed waardoor microscopie vals negatieve resultaten geeft.

B. caballi ziet er uit als twee grotere, peervormige merozoïeten in een erytrocyt. T. equi verschijnt als kleinere, polymorfe piroplasmen en kan de karakteristieke Maltese-cross-formatie vormen. Bij klinische T. equi-infecties ligt de parasitemie meestal hoger dan bij B. caballi, maar ook hier sluit een negatief uitstrijkje infectie niet uit.

Serologie is de belangrijkste methode voor chronische infectie, dragerschap en regulatoire screening. Beschikbare testen zijn complementfixatie, IFAT, cELISA en Western blot. De complementfixatietest is specifiek, maar onvoldoende gevoelig voor chronische of asymptomatisch geïnfecteerde paarden. IFAT is gevoeliger dan complementfixatie, maar interpretatie blijft deels subjectief.

De cELISA is de belangrijkste test voor detectie van chronische of asymptomatisch infectie en wordt gebruikt in internationale context. Voor T. equi detecteert de test antistoffen tegen EMA-antigenen. Voor B. caballi is een cELISA beschikbaar op basis van RAP-1. Test uitslagen kunnen verschillen tussen stammen en regio’s.

PCR detecteert parasitair DNA en kan nuttig zijn bij bevestiging van infectie of na behandeling. Voor T. equi is PCR zeer gevoelig in onderzoeks- en gespecialiseerde diagnostische contexten. Voor B. caballi is PCR minder consistent beschreven.

Behandeling

De behandeling verschilt tussen endemische en niet-endemische gebieden. In endemische gebieden is het doel meestal klinisch herstel en beperking van ziekte. Volledige eliminatie van het dragerschap is daar niet altijd gewenst of praktisch, omdat dragerschap toch wel beschermt tegen klinische ziekte en herinfectie.

In niet-endemische gebieden is eliminatie van transmissierisico naar andere paarden essentieel. Afhankelijk van regelgeving kunnen opties bestaan uit behandeling binnen een goedgekeurd programma, levenslange quarantaine of euthanasie. Positieve resultaten moeten in sommige landen, waaronder de Verenigde Staten, gemeld worden aan de bevoegde instanties. Dit is dus van groot belang bij export van paarden naar o.a. de US.

Acute piroplasmose wordt ondersteunend behandeld. Hydratatie, perfusie, zuurstoftransport, controle van koorts, behandeling van complicaties en monitoring van anemie, trombocytopenie, nierfunctie en leverparameters zijn van belang.

Imidocarb dipropionaat is de belangrijkste antiparasitaire behandeling. Voor klinische verbetering worden doseringen van 2,2 tot 4,4 mg/kg intramusculair beschreven, eenmalig of herhaald afhankelijk van doel en protocol. Voor klaring van infectie worden protocollen gebruikt met 4,4 mg/kg intramusculair om de 72 uur voor vier behandelingen. Klaring moet bevestigd worden met seriële negatieve PCR- of serologieresultaten, afhankelijk van protocol en regelgeving.

Imidocarb heeft anticholinesterase-activiteit. Bijwerkingen kunnen bestaan uit zweten, agitatie, koliek en diarree. Voorbehandeling met N-butylscopolamine 0,3 mg/kg IV kan deze bijwerkingen verminderen. Injectieplaatsreacties komen vaak voor. Omdat het middel via lever en nieren wordt geklaard, zijn monitoring van nier- en leverparameters aangewezen. Ezels en muildieren zijn gevoeliger voor bijwerkingen; ernstige en zelfs fatale reacties zijn beschreven. Wij raden aan om de dosis over twee injectie plaatsen te verdelen om lokale reacties te vermijden. Eventueel kan een behandeling met oxytetracycline aangewezen zijn.

Preventie

Er is geen vaccin beschikbaar tegen T. equi of B. caballi. Preventie hangt af van regio en doelstelling.

In endemische gebieden is volledige preventie moeilijk, zeker waar infectiedruk hoog is. Controle richt zich vooral op beperking van klinische ziekte en tekenblootstelling. In niet-endemische gebieden ligt de nadruk op voorkomen van introductie. Dat gebeurt via screening, quarantaine, controle op teken en beperking van import van geïnfecteerde paarden.

Tekencontrole blijft praktisch belangrijk: acariciden, inspectie op teken, kennis van lokale tekenhabitat en seizoen, en beperking van contact met risicogebieden.

Referenties

  • Reed S.M., Bayly W.M. & Sellon D.C. (Eds.). (2018). Equine Internal Medicine (4th ed.). Elsevier.
  • Sellon D.C. & Long M.T. (Eds.). (2014). Equine Infectious Diseases (2nd ed.). Elsevier Saunders.



Gerelateerde Vet Info's

8 september, 2026

Equine neonatale isoerytrolyse

Inleiding Neonatale isoerytrolyse (NI) is een immuungemedieerde hemolytische aandoening bij het pasgeboren veulen. De aandoening ontstaat wanneer het veulen maternale antistoffen opneemt die gericht zijn...

13 augustus, 2026

Aanpak van een gebroken tand bij het paard

Achtergrond Tandfracturen behoren tot de frequent voorkomende bevindingen tijdens het mondonderzoek bij het paard. Er is gerapporteerd dat tot ongeveer 70% van de paarden gedurende...

12 augustus, 2026

Equine piroplasmose

Inleiding Equine piroplasmose is een door teken overgedragen infectieziekte bij paardachtigen, veroorzaakt door de intra-erytrocytaire hemoprotozoa Theileria equi en Babesia caballi. De aandoening wordt ook...