Ongewenste bijwerkingen bij het paard: herkennen, verklaren en voorkomen

Geneesmiddelen die dagelijks in de paardenpraktijk worden gebruikt, kunnen ook bij correcte dosering en toediening klinisch relevante ongewenste effecten veroorzaken. Antibiotica-geassocieerde diarree, NSAID-geïnduceerde rechter dorsale colitis en aminoglycoside-nefrotoxiciteit zijn bekende voorbeelden, maar het spectrum is veel breder. Ook sedativa, opioïden, bisfosfonaten, lidocaïne, pergolide, bloedproducten en SGLT2-remmers hebben specifieke risico’s.

Niet alleen het geneesmiddel zelf bepaalt dat risico. Dosis, doseringsinterval, toedieningsweg, gelijktijdige medicatie en de fysiologische of pathologische toestand van de patiënt bepalen mee hoeveel geneesmiddel uiteindelijk beschikbaar is en hoe lang die blootstelling aanhoudt. Een standaarddosering bij een gezond volwassen paard kan zich bij een neonataal, geriatrisch, gedehydrateerd of nierinsufficiënt paard dus anders gedragen.

Niet elke ongewenste geneesmiddelgebeurtenis is een ongewenste geneesmiddelreactie

Een ongewenste geneesmiddelgebeurtenis omvat iedere vorm van schade veroorzaakt door een therapeutische, preventieve of diagnostische interventie. Daarbinnen wordt onderscheid gemaakt tussen medicatiefouten en ongewenste geneesmiddelreacties.

Een medicatiefout is een menselijke fout, zoals toediening van het verkeerde geneesmiddel, een verkeerde dosis of interval, een verkeerde toedieningsweg of toediening aan de verkeerde patiënt. Een ongewenste geneesmiddelreactie is een onbedoelde, schadelijke reactie op een geneesmiddel dat in een therapeutische dosis is toegediend.

De patiënt bepaalt mee het risico

Dezelfde dosis betekent niet noodzakelijk dezelfde blootstelling. Biologische beschikbaarheid, verdelingsvolume, eiwitbinding, metabolisme en excretie bepalen uiteindelijk de plasmaconcentratie en het farmacologische effect. Vooral bij middelen met een smalle therapeutische marge kunnen relatief beperkte veranderingen hierin klinisch relevant worden.

Geneesmiddelen met een laag verdelingsvolume, minder dan ongeveer 0,3 L/kg, bevinden zich voornamelijk in de extracellulaire vloeistof. Hieronder vallen onder andere penicillines, cefalosporines, aminoglycosiden en NSAID’s. Dehydratie en volumedepletie kunnen hun distributie daardoor duidelijk beïnvloeden.

Leeftijd speelt eveneens een rol. Neonatale veulens hebben ongeveer 80% totaal lichaamswater, tegenover ongeveer 60% bij volwassen paarden. Het extra volume bevindt zich vooral extracellulair, waardoor onder andere aminoglycosiden een groter verdelingsvolume hebben. Tegelijk zijn renale excretie en hepatisch metabolisme nog onvolledig ontwikkeld. Een hogere dosis kan dus nodig zijn om een gewenste piekconcentratie te bereiken, terwijl tragere eliminatie juist een langer doseringsinterval kan vereisen.

Bij geriatrische paarden kunnen cardiaal debiet, regionale bloedflow, gastro-intestinale absorptie, hepatocytenfunctie, renale bloedflow, glomerulaire filtratie en tubulaire secretie afnemen. Ook de lichaamssamenstelling verandert, met minder vetvrije massa en relatief meer vetweefsel.

Voor veel geneesmiddelen is renale excretie een belangrijke eliminatieroute. Bij verminderde renale klaring kunnen geneesmiddel en metabolieten accumuleren. Het risico wordt daarom beter ingeschat op basis van eliminatieroute, therapeutische marge en verwachte accumulatie dan op basis van de dosis alleen.

Ook halfwaardetijd en klaring zijn niet hetzelfde. De eliminatiehalfwaardetijd wordt bepaald door zowel verdelingsvolume als klaring: T½ = 0,693 × Vd / klaring. Een lange halfwaardetijd betekent dus niet automatisch dat de klaring sterk verminderd is.

Geneesmiddelinteracties kunnen de blootstelling verder veranderen. Fenylbutazon kan bijvoorbeeld het hepatische metabolisme van andere middelen beïnvloeden. Rifampicine induceert enzymactiviteit en kan daardoor itraconazolconcentraties verlagen, terwijl erytromycine en enrofloxacine het metabolisme van theofylline kunnen remmen, met een hoger risico op neurologische toxiciteit.

Bij een ongewenste reactie zijn daarom vier vragen praktisch: wat werd toegediend, hoeveel en hoe vaak, via welke route en aan welke patiënt?

Antibiotica

Antimicrobieel-geassocieerde diarree is een belangrijke bijwerking van antibacteriële therapie bij paarden. Salmonella en Clostridium spp. worden regelmatig geïdentificeerd, maar een etiologisch agens wordt niet altijd aangetoond. Veranderingen in het fecale microbioom en metaboloom lijken een belangrijke rol te spelen. Paarden zijn als dikke darm fermenteerders extra gevoelig, mede doordat de geringe orale absorptie van verschillende antibiotica tot relatief hoge concentraties in de dikke darm kan leiden. Ook parenterale antibiotica kunnen het fecale microbioom veranderen.

De werkelijke prevalentie is moeilijk te bepalen. In een prospectieve studie bij 5.251 paarden die antibiotica kregen voor niet-gastro-intestinale aandoeningen ontwikkelden 32 paarden diarree, een incidentie van 0,6%. Zes van deze 32 paarden, 18,8%, overleden. In een retrospectieve studie van paarden met acute diarree hadden paarden die vooraf antibiotica hadden gekregen een 4,5 maal lagere overlevingskans. Voor trimethoprim-sulfonamidecombinaties werd een incidentie van 3% beschreven, zonder significant verschil ten opzichte van de algemene populatie gehospitaliseerde paarden.

Niet ieder antibioticum draagt hetzelfde risico. Erytromycine wordt geassocieerd met fatale colitis bij volwassen paarden. Clindamycine en lincomycine moeten bij paarden worden vermeden: ernstige, vaak fatale diarree is zelfs na één dosis beschreven. Ook ciprofloxacine kan zowel oraal als intraveneus ernstige gastro-intestinale ziekte veroorzaken.

Bij koliek of diarree tijdens een antibioticakuur moet de noodzaak om de antimicrobiële therapie voort te zetten opnieuw worden beoordeeld. Metronidazol werd in één studie geassocieerd met betere uitkomsten bij antimicrobieel-geassocieerde diarree, maar verandert zelf eveneens het fecale microbioom en metaboloom. Saccharomyces cerevisiae kan de microbiële diversiteit bevorderen, terwijl voor Saccharomyces boulardii geen klinisch effect werd aangetoond.

Aminoglycosiden

Aminoglycosiden worden opgenomen in renale tubuluscellen en accumuleren in lysosomen, waar ze uiteindelijk celschade kunnen veroorzaken. Het risico neemt toe bij kortere doseerintervallen en hogere dalconcentraties. Een hogere dosis met een langer interval kan bij deze concentratie-afhankelijke antibiotica zowel de werkzaamheid verbeteren als het risico op toxiciteit verkleinen.

Langdurige therapie, acidose, hypokaliëmie, hyponatriëmie, volumedepletie, bestaande nierziekte en gelijktijdige toediening van andere nefrotoxische middelen verhogen het risico. Ook NSAID’s verdienen daarbij aandacht: gelijktijdige toediening van fenylbutazon kan de distributie van gentamicine vergroten en de eliminatie vertragen.

Urine onderzoek is relevanter dan alleen serumcreatinine. Urinaire GGT ten opzichte van urinecreatinine kan binnen drie dagen na een nefrotoxische blootstelling tot twee- à driemaal de uitgangswaarde stijgen. Stijging van serumureum en creatinine kan pas dagen later optreden, nadat al aanzienlijke renale schade aanwezig is.

Gentamicine kan daarnaast ototoxisch zijn. Bij tien gezonde paarden die gedurende zeven dagen 6,6 mg/kg IV eenmaal daags kregen, ontwikkelden zeven volledige of gedeeltelijke, uni- of bilaterale sensorineurale gehoorverliezen. Bij vier van deze zeven paarden was dit reversibel. Vestibulaire toxiciteit is eveneens beschreven.

Aminoglycosiden kunnen bovendien neuromusculaire blokkade versterken, onder andere bij aandoeningen van de neuromusculaire overgang zoals botulisme.

Fluoroquinolonen en tetracyclines

Fluoroquinolonen kunnen ernstige kraakbeenschade en artropathie veroorzaken bij neonatale en jonge dieren. Bij veulens van twee en drie weken oud leidde orale enrofloxacine tot gewrichtseffusie, kreupelheid en erosies en fissuren in het gewrichtskraakbeen. Bij volwassen paarden werden dergelijke letsels niet gezien, hoewel bij hoge doseringen en langdurige behandeling milde, reversibele gewrichts- en peesletsels kunnen ontstaan.

Bij oxytetracycline neemt het risico op nefrotoxiciteit toe bij hoge doseringen, endotoxemie, dehydratie, hypovolemie en pigmentnefropathie. Vooral veulens die herhaaldelijk hoge IV-doses krijgen voor flexurale deformiteiten met intervallen korter dan 48 uur, of die gelijktijdig een aandoening hebben die de nierfunctie beïnvloedt, vormen een risicogroep.

Snelle IV-toediening van oxytetracycline kan ook bij volwassen paarden collaps veroorzaken. Verdunning in 0,9% NaCl, steriel water of 5% glucose en toediening over 15–30 minuten wordt beschreven om dit risico te verminderen. Intraveneuze doxycycline moet bij het paard worden vermeden vanwege het risico op cardiale aritmieën en acute sterfte.

Macroliden

Macroliden worden frequent gebruikt bij de behandeling van Rhodococcus equi-pneumonie bij veulens. Hyperthermie, soms gevolgd door acute respiratoire nood, is vooral beschreven bij erytromycine en wordt gekoppeld aan geneesmiddelgeïnduceerde anhidrose. Ook azitromycine en claritromycine kunnen de zweetrespons verminderen. Het effect ontstaat kort na het starten van de therapie en kan na stoppen tot tien dagen nodig hebben om volledig te verdwijnen.

Injecteerbare macroliden geven daarnaast lokale reacties. Na intramusculaire toediening van tulathromycine en gamithromycine zijn warmte, pijn, zwelling en kreupelheid beschreven.

Corticosteroïden en laminitis

De relatie tussen corticosteroïden en laminitis is klinisch al lang bekend, maar een rechtstreeks causaal verband kon niet experimenteel worden aangetoond. In retrospectieve studies werd geen verhoogde incidentie gevonden na intra-articulaire triamcinolonbehandeling of orale prednisolontherapie. Een andere studie vond wel een verband tussen prednisolongebruik en recidief van laminitis bij paarden die eerder laminitis hadden doorgemaakt.

Een mogelijk mechanisme loopt via insulinedysregulatie. Dexamethason, 0,08 mg/kg PO eenmaal daags gedurende zeven dagen, veroorzaakte insulinedysregulatie bij normale volwassen paarden. Omdat persisterende hyperinsulinemie met laminitis is geassocieerd, verdient corticosteroïdgebruik bij paarden met een EMS-fenotype extra aandacht.

Andere beschreven effecten van glucocorticoïden zijn onder meer neutrofilie, lymfopenie, eosinopenie, hypokaliëmie, hyperglykemie, hyperinsulinemie, hypertriglyceridemie, verminderde cortisolproductie, immunosuppressie, vertraagde wondheling, polyurie/polydipsie en spieratrofie.

NSAID’s

NSAID-geassocieerde maagulceratie treft klassiek de glandulaire mucosa. Remming van cyclo-oxygenase verlaagt onder meer PGE₂ en PGI₂, met meer zuursecretie, minder mucus- en bicarbonaatproductie, verminderde vasodilatatie en verstoring van mucosaal herstel als gevolg.

Profylactische omeprazoltoediening bij NSAID-gebruik? De beschikbare studies geven conflicterende resultaten. In één studie waren de ulcusscores lager bij fenylbutazon plus omeprazol, maar ontwikkelden 6/8 paarden in die groep ernstige gastro-intestinale complicaties tegenover 2/8 met alleen fenylbutazon. Een andere studie vond minder maagulceratie zonder bijkomende intestinale complicaties.

Een bijkomende bijwerking is rechter dorsale colitis: een eiwitverliezende enteropathie met ulceratie, oedeem en neutrofiele ontsteking van de wand van het rechter dorsale colon. Vooral hoge doses fenylbutazon worden ermee geassocieerd, maar ook aan de normale dosis, en andere NSAID’s , kunnen RDC veroorzaken. Het combineren van verschillende NSAID’s, inclusief selectieve en niet-selectieve cyclo-oxygenaseremmers, wordt afgeraden.

Dehydratie verhoogt het risico. NSAID’s bevinden zich grotendeels in de extracellulaire vloeistof, waardoor plasmaconcentraties bij een gedehydrateerd paard kunnen stijgen. Tegelijk kunnen NSAID’s bij hypovolemie of hypotensie de renale bloedflow en glomerulaire filtratie verder reduceren. Neonaten zijn eveneens gevoeliger door de nog onvolledig ontwikkelde nier- en leverfunctie.

Ventrale oedemen, depressie, lethargie, koliek en diarree zijn klinische alarmsignalen. Hypoalbuminemie, hypocalciëmie en hypomagnesiëmie kunnen aanwezig zijn. Echografische bepaling van de wanddikte van het rechter dorsale colon kan de diagnose ondersteunen.

De behandeling bestaat uit onmiddellijke stopzetting van alle NSAID’s, aanpassing van het rantsoen en intensieve vocht- en colloïdtherapie waar nodig. De prognose is redelijk bij vroege herkenning, maar strictuurvorming kan chronische koliek veroorzaken en colonruptuur is beschreven.

Bisfosfonaten

Bij tiludronaat treden ongewenste effecten vooral tijdens de infusie of binnen vier uur na de start ervan op. In een onderzoek ontwikkelde 30–45% van de paarden binnen enkele uren koliek. Ook spiertrillingen, fasciculaties en zweten werden beschreven.

Gelijktijdig of aansluitend NSAID-gebruik vraagt aandacht. In registratiegegevens hadden 24–32% van de paarden die na tiludronaat een NSAID kregen creatinine- en ureumwaarden boven het referentie-interval, tegenover een voorbijgaande creatininestijging bij 2% van 139 paarden zonder daaropvolgende NSAID-toediening.

Een latere retrospectieve studie bij 1.804 paarden rapporteerde daarentegen bij slechts 1,3% ongewenste effecten na tiludronaat. Bij 96% van de doses was vooraf een NSAID toegediend, wat geassocieerd was met minder gemelde reacties. Creatinine en ureum werden in die studie echter niet gerapporteerd, waardoor beide bevindingen niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn.

Clodronaat kan eveneens koliekachtige verschijnselen, nierinsufficientie en injectieplaatsreacties veroorzaken.

Sedativa en opioïden

Acepromazine kan hypotensie veroorzaken bij gangbare doseringen; 0,05 mg/kg wordt daarbij beschreven. Daarnaast kunnen erytrocyten- en leukocytenaantallen, hemoglobine en hematocriet dalen. Bij hengsten en ruinen is langdurige penisprolaps of priapisme een zeldzame maar potentieel ernstige complicatie.

α₂-agonisten veroorzaken aanvankelijk hypertensie, gevolgd door hypotensie, bradycardie, tweedegraads AV-blok en verminderd hartminuutvolume. Verder zijn verminderde gastro-intestinale motiliteit, diurese, zweten, pilo-erectie, hyperglykemie en daaropvolgende hyperinsulinemie beschreven. Xylazine verhoogt de myometriale contractiliteit en intra-uteriene druk en vraagt daarom voorzichtigheid bij hoogdrachtige merries.

Opioïden kunnen respiratoire depressie, neurologische excitatie, urineretentie en gastro-intestinale ileus veroorzaken. In één studie was morfinegebruik na orthopedische chirurgie geassocieerd met een viervoudig hoger risico op koliek dan butorfanol of geen opioïd. Een andere studie vond geen associatie voor intraoperatief of kortdurend postoperatief opioïdgebruik, maar wel een verhoogde kans op postoperatieve koliek bij morfinegebruik gedurende meer dan 24 uur.

Lidocaïne

IV-lidocaïne wordt toegepast als analgeticum, ontstekingsremmer en prokineticum en als onderdeel van gebalanceerde anesthesie. De therapeutische marge is smal: toxische effecten kunnen optreden bij plasmaconcentraties die slechts twee- tot driemaal hoger liggen dan de concentraties die worden nagestreefd bij behandeling van postoperatieve ileus.

Vroege tekenen zijn spierfasciculaties, onrust, ataxie, snel knipperen met de ogen en collaps. Ernstige toxiciteit kan evolueren naar bewustzijnsverlies, convulsies en ademstilstand. Bradycardie, hypotensie, ventriculaire aritmieën en hartstilstand zijn eveneens mogelijk. Omdat de toxiciteit concentratieafhankelijk is en mildere verschijnselen doorgaans voorafgaan aan levensbedreigende effecten, moet de infusie bij vroege toxiciteitsverschijnselen worden stopgezet.

Pergolide

Tot 32,8% van de paarden vertoont verminderde eetlust bij het starten van pergolide. Dit kan samengaan met gewichtsverlies, verminderde energie, gedragsveranderingen, koliek of diarree. Bij milde klachten kan de dosis met 50% worden verminderd en na verdwijnen van de verschijnselen gedurende twee tot vier weken geleidelijk worden verhoogd naar 0,002–0,004 mg/kg.

Zeldzamere reacties zijn alopecie, hyperhidrose, dermatitis, laminitis, spierstijfheid of -pijn, ataxie, convulsies en spiertremoren. Anemie, verhoogde leverenzymen en trombocytopenie kunnen eveneens voorkomen.

Voor gebruik tijdens dracht ontbreken voldoende gegevens. Vanuit het dopaminerge werkingsmechanisme bestaat bezorgdheid over dysgalactie, verlengde dracht en premature placentaseparatie.

SGLT2-remmers

SGLT2-remmers worden steeds vaker gebruikt bij paarden met hyperinsulinemie en geassocieerde laminitis. Hypertriglyceridemie komt frequent voor tijdens de eerste fase van de behandeling. Ook stijgingen van leverenzymen en histologische leververanderingen zijn beschreven, hoewel niet duidelijk is in hoeverre deze rechtstreeks geneesmiddelgerelateerd zijn of samenhangen met de onderliggende metabole aandoening.

De veranderingen blijven meestal subklinisch, maar zeldzame gevallen van hyperlipemie en hepatische lipidose zijn gerapporteerd. Vooral paarden met comorbiditeit en een negatieve energiebalans vragen daarom extra aandacht. Regelmatige controle van leverenzymen, insuline en lipidenprofiel is aangewezen; de behandeling moet worden aangepast of stopgezet wanneer het paard moet vasten of anorectisch wordt.

Door glucosurie zijn urineweginfecties bij andere diersoorten een bekende complicatie. Bij paarden zijn dergelijke infecties niet gerapporteerd in de beschikbare gegevens. In één studie ontwikkelde 19% van de behandelde paarden wel polyurie en polydipsie.

Bloedproducten en vaccins

Na plasma- of volbloedtransfusie kunnen immunologische reacties, transmissie van infectieuze agentia en bacteriële contaminatie optreden. In een retrospectieve studie naar commercieel paardenplasma trad bij 8,7% van de veulens jonger dan zeven dagen een transfusiereactie op, tegenover 0% bij volwassen paarden. Koorts, tachycardie, tachypneu en koliek werden gezien; alle veulens overleefden.

Bij volwassen paarden die volbloed kregen, bedroeg de gerapporteerde incidentie van reacties 16%: 2% ontwikkelde anafylactische shock die tot euthanasie leidde, 7% milde urticaria en 7% verergering van hemolyse bij bestaande hemolytische ziekte.

Ook vaccins kunnen reacties veroorzaken, van lokale pijn en zwelling met eventueel koorts, anorexie en lethargie tot urticaria, koliek, anafylaxie en purpura haemorrhagica.

Conclusie

Een ongewenst effect tijdens farmacotherapie is niet automatisch een onvoorspelbare reactie. Veel klinisch relevante reacties zijn rechtstreeks te verklaren door de farmacologie van het geneesmiddel, de dosis, het doseringsinterval, de toedieningsweg, geneesmiddelinteracties en de toestand van de patiënt.

Vooral bij neonaten, geriatrische paarden, hypovolemie en nier- of leverfunctiestoornissen kan een doseringsschema dat bij een gezond volwassen paard passend is, een andere blootstelling geven. Dat geldt ook voor combinaties van middelen: NSAID’s met andere nefrotoxische geneesmiddelen, aminoglycosiden bij een gedehydrateerde patiënt, corticosteroïden bij een paard met insulinedysregulatie of SGLT2-remmers bij een paard dat anorectisch wordt.

De dosis is dus maar één deel van het verhaal. Bij een onverwachte reactie zijn vier vragen praktisch: wat werd toegediend, hoeveel en hoe vaak, via welke route en aan welke patiënt? Pas daarna kan worden beoordeeld of sprake is van een onverwachte geneesmiddelreactie, een medicatiefout of farmacologie die achteraf juist goed verklaarbaar is.

Referenties

Wilson, K. E., & Davis, J. L. (2025). Adverse Effects and Drug Reactions in Equids. Veterinary Clinics of North America: Equine Practice, 41, 653–674.

Davis, J. L. (2018). Pharmacologic Principles. In S. M. Reed, W. M. Bayly, & D. C. Sellon (Eds.), Equine Internal Medicine (4th ed.). Elsevier.

Knottenbelt, D. C., & Malalana, F. (2015). Saunders Equine Formulary (2nd ed.). Elsevier Saunders.

Gerelateerde Vet Info's

14 oktober, 2026

Ongewenste bijwerkingen bij het paard: herkennen, verklaren en voorkomen

Geneesmiddelen die dagelijks in de paardenpraktijk worden gebruikt, kunnen ook bij correcte dosering en toediening klinisch relevante ongewenste effecten veroorzaken. Antibiotica-geassocieerde diarree, NSAID-geïnduceerde rechter dorsale...

23 september, 2026

Voeding bij inspanningsgebonden myopathieën: niet elk paard met spierproblemen heeft hetzelfde rantsoen nodig

Inleiding Voeding is, naast beweging, een belangrijk onderdeel van de behandeling van paarden met myopathieën. De kern is echter niet simpelweg “minder zetmeel en meer...

8 september, 2026

Equine neonatale isoerytrolyse

Inleiding Neonatale isoerytrolyse (NI) is een immuungemedieerde hemolytische aandoening bij het pasgeboren veulen. De aandoening ontstaat wanneer het veulen maternale antistoffen opneemt die gericht zijn...