Voeding bij inspanningsgebonden myopathieën: niet elk paard met spierproblemen heeft hetzelfde rantsoen nodig

Inleiding

Voeding is, naast beweging, een belangrijk onderdeel van de behandeling van paarden met myopathieën. De kern is echter niet simpelweg “minder zetmeel en meer vet”. Het optimale rantsoen hangt af van de onderliggende myopathie. PSSM1, PSSM2 met exertionele rhabdomyolyse (PSSM2-ER), recurrent exertional rhabdomyolysis (RER) en myofibrillaire myopathie (MFM) verschillen in pathofysiologie en vragen daarom om een andere nutritionele aanpak.

Een eerste klinisch onderscheid is dat tussen exertionele rhabdomyolyse (ER) en inspanningsintolerantie zonder uitgesproken spiernecrose. ER wordt gekenmerkt door spiervezeldegeneratie en een stijging van serum-CK en AST. PSSM1, PSSM2-ER, RER, maligne hyperthermie en MFM-ER bij Arabieren behoren tot deze groep. Bij Warmbloeden met MFM (MFM-WB) staan eerder inspanningsintolerantie, moeite met voorwaarts gaan, verzamelen en onderbrengen van de achterhand op de voorgrond, terwijl CK normaal tot slechts licht verhoogd kan zijn.

Dat onderscheid heeft directe gevolgen voor het rantsoen. Een extreem laag-NSC, vetrijk rantsoen is niet automatisch geschikt voor elk paard met spiergerelateerde klachten.

Eerst de myopathie, dan het rantsoen

Voor alle vormen van inspanningsgebonden myopathie blijft een nutritioneel uitgebalanceerd rantsoen met een passende energievoorziening en voldoende eiwit, vitaminen en mineralen de basis. Ruwvoer vormt daarbij het uitgangspunt. Pas daarna wordt bepaald hoeveel aanvullende energie nodig is en uit welke bronnen die het best afkomstig is.

Non-structural carbohydrates (NSC) omvatten wateroplosbare koolhydraten, waaronder suikers, plus zetmeel. Energie kan daarnaast worden geleverd door vet, structurele koolhydraten en in mindere mate eiwit. Bij veel paarden met ER wordt een deel van de energie uit NSC vervangen door vet, maar de mate waarin dat nodig is verschilt duidelijk per aandoening.

Ook de totale energie-inname blijft relevant. Zeker bij PSSM is “meer vet” geen doel op zich. Een paard dat al overgewicht heeft, heeft geen baat bij het toevoegen van extra calorieën alleen omdat vet metabool gunstig kan zijn.

Sporadische exertionele rhabdomyolyse

Bij sporadische ER kunnen de energiebehoeften sterk variëren, van ongeveer onderhoud tot tweemaal onderhoud, afhankelijk van lichaamsgewicht, ras, discipline en trainingsniveau.

Een te lage ruwvoeropname kan bijdragen aan sporadische episodes. Prestatiepaarden nemen doorgaans 1,5–2% van het lichaamsgewicht per dag aan hooi op. Kwalitatief goed gras- of gras/luzernehooi met ongeveer 55–65% NDF, 10–12% ruw eiwit en 10–17% NSC.

Voor het krachtvoer wordt aangeraden:

  • NSC: 20–30%
  • vet: 4–8%
  • NDF: 20–30%

NDF (Neutral Detergent Fiber) is een maat voor de totale celwandfractie van plantaardig voer, voornamelijk bestaande uit cellulose, hemicellulose en lignine, en geeft daarmee een indicatie van het vezelgehalte, de energiedichtheid en de potentiële vrijwillige voeropname.

Extra vet is bij sporadische ER niet standaard geïndiceerd. De beslissing om vet toe te voegen wordt vooral bepaald door de energiebehoefte. Bij ondergewicht kan 120–240 mL plantaardige olie of 0,5–1 kg gestabiliseerde rijstzemelen worden toegevoegd.

Elektrolyten verdienen afzonderlijke aandacht. Tekorten of verstoringen kunnen een rol spelen bij sporadische ER. Naast vrije toegang tot zout kan, afhankelijk van het zweetverlies, ongeveer 30–60 g zout of elektrolyten per dag bij licht zweten tot 120–150 g/dag bij zwaar zweten nodig zijn.

Ook vitamine E- en seleniumstatus moeten worden geëvalueerd. Lage serumconcentraties zijn een indicatie voor suppletie. Natuurlijk vitamine E is beter biologisch beschikbaar is dan synthetische vormen.

Recurrent exertional rhabdomyolysis: NSC beperken zonder PSSM-rantsoen te kopiëren

RER wordt vooral gezien bij renpaarden, (Volbloeden en Standardbreds). Bij paarden in intensieve training kan de dagelijkse energiebehoefte oplopen tot 30–35 Mcal verteerbare energie (DE).

Hier is vervanging van een deel van de energie uit NSC door vet onderbouwd door gecontroleerde studies. Bij RER-paarden met een hoge energiebehoefte (>30 Mcal DE/dag) wordt geadviseerd dat maximaal 20% van de dagelijkse DE uit NSC komt en 20–25% uit vet.

Voor renpaarden in training, die vaak 6–7 kg krachtvoer per dag opnemen, wordt een krachtvoer met ongeveer 12–18% NSC en 10–13% vet op productbasis voorgesteld. Om toch een energiedichtheid van ongeveer 3,2–3,4 Mcal DE/kg te bereiken, kunnen goed verteerbare vezelbronnen zoals bietenpulp of sojahullen worden gebruikt.

Het effect lijkt niet primair veroorzaakt door veranderingen in spierglycogeen of lactaatmetabolisme. In studies waren pre- en postexercise glycogeen- en lactaatconcentraties vergelijkbaar tussen laag-zetmeel/hoog-vet- en hoog-zetmeelrantsoenen. De klinische winst kan eerder samenhangen met lagere glucose-, insuline- en cortisolresponsen, een rustiger gedrag en een lagere hartfrequentie vóór inspanning. Excitatie en angst zijn immers nauw gekoppeld aan het optreden van rhabdomyolyse bij gevoelige paarden.

De glycemische respons van het rantsoen verdient daarbij minstens zoveel aandacht als het absolute NSC-gehalte. Wateroplosbare koolhydraten kunnen een sterke glycemische respons veroorzaken en melasse wordt is zeer glycemisch.

Een nutritionele aanpassing kan relatief snel effect hebben: in studies trad binnen één week na overschakeling op een laag-zetmeel, vetrijk rantsoen een duidelijke daling of normalisatie van postexercise CK op.

Voeding staat hier niet los van trainingsmanagement. Twee dagen rust gaven bij RER-paarden hogere postexercise CK-waarden dan opeenvolgende dagen met dezelfde submaximale inspanning. Dagen volledige stalrust zonder training worden daarom afgeraden.

Vitamine E, vitamine C en co-enzym Q10 bieden mogelijke ondersteuning tegen oxidatieve stress. Ook langeketenvetzuren EPA en DHA zouden mogelijk bijdragen aan het beperken van persisterende inflammatie. De formulering in de bron is hier bewust voorzichtig: deze supplementen kunnen nuttig zijn; echter, het bewijs is minder sterk dan voor de aanpassing van NSC en vet.

PSSM1 en PSSM2-ER: energiebalans komt vóór vetsuppletie

PSSM1 en PSSM2-ER bij Quarter Horses zijn glycogeenstapelingsziekten.

Bij deze paarden is eerst de vraag hoeveel calorieën nodig zijn om een ideaal lichaamsgewicht te bereiken of te behouden. Veel PSSM-paarden zijn easy keepers en hebben bij diagnose al overgewicht. In dat geval is extra vet toevoegen contraproductief.

Voor gewichtsreductie kunnen raden we onder andere een graas korf, hooi met een veel lager NSC-gehalte aan 1–1,5% van het lichaamsgewicht, een energiearme vitamine en mineralen supplement en geleidelijke introductie van dagelijkse beweging. Bij een paard met overgewicht kan in plaats van vetsuppletie zes uur vasten vóór inspanning worden gebruikt om de plasmaconcentratie vrije vetzuren vóór de training te verhogen.

Hoe laag moet het NSC?

Er is een duidelijke insulinestijging na het eten van hooi met 17% NSC, terwijl de insulineconcentraties relatief stabiel blijven bij hooi met 12% of 4% NSC. Omdat insuline het reeds overactieve glycogeensynthase bij PSSM1 verder stimuleert, adviseren de auteurs hooi met maximaal 12% NSC.

Hoe ver onder 12% moet worden gegaan, hangt af van de energiebehoefte. Bij easy keepers kan zeer laag-NSC-hooi (<5% NSC) met een hoog vezelgehalte (>65% NDF) ruimte creëren om vet toe te voegen zonder de totale calorie-inname te hoog te maken.

Krachtvoer voor PSSM1 en PSSM2-ER moet <15% NSC bevatten en een lage glycemische respons geven. Een vetrijk krachtvoer met 10–12% vet kan worden gebruikt. Wanneer minder dan 2 kg krachtvoer per dag wordt gevoerd, kan aanvullende energie uit 120–240 mL plantaardige olie of gestabiliseerde rijstzemelen nodig zijn.

Gehydrateerde en gespoelde bietenpulp heeft een zeer lage glycemische respons en kan als drager voor olie worden gebruikt.

MFM bij Arabieren: een andere metabole vraag

MFM-ER bij Arabische endurancepaarden vraagt om een andere benadering. Deze paarden kunnen aan het einde van lange wedstrijden spierstijfheid, krampen, myoglobinurie en sterk verhoogde CK ontwikkelen. In spierbiopten werden normale glycogeenconcentraties gevonden, maar wel myofibrillaire desorganisatie en karakteristieke aggregaten van desmine.

Transcriptomische en proteomische studies wijzen op een pro-oxidatieve omgeving en verminderde cysteïnegebonden antioxidatieve capaciteit. Daarmee verschuift het nutritionele doel van een sterke beperking van NSC naar ondersteuning van spierherstel en antioxidatieve capaciteit.

Voor het ruwvoer gelden opnieuw innames van 1,5–2% van het lichaamsgewicht per dag, met bij voorkeur goed gras- of gemengd gras/luzernehooi.

Het krachtvoer mag duidelijk meer NSC en minder vet bevatten dan een klassiek PSSM-rantsoen:

12–14% ruw eiwit, 20–30% NSC en 4–8% vet.

De eiwitkwaliteit is daarbij relevant. Lysine, methionine en threonine zijn nodig voor spierherstel en de productie van cysteïnegebonden antioxidanten. Leucine stimuleert de spiereiwitsynthese na inspanning.

Opletten met zeer vetrijke rantsoenen (>15% van de totale DE uit vet) voor MFM-ER! Arabieren gebruiken relatief veel vetoxidatie tijdens inspanning, maar juist omdat oxidatieve stress bij MFM-ER mogelijk samenhangt met vetoxidatie, is meer vet niet automatisch beter.

MFM bij Warmbloeden: niet per se laag NSC en hoog vet

Bij Warmbloeden is MFM-WB beschreven bij paarden met inspanningsintolerantie, moeite met voorwaarts gaan, verzamelen en engageren van de achterhand. Histologisch worden myofibrillaire desorganisatie en desmine-aggregaten gevonden, terwijl de spierglycogeenconcentraties normaal kunnen zijn.

Daarmee ontbreekt de rationale om deze paarden standaard hetzelfde laag-NSC, vetrijke rantsoen te geven als PSSM1-paarden.

De diagnostiek verdient hier aandacht. De diagnose MFM-WB is gebaseerd op spierbiopsie en niet op commercieel aangeboden genetische tests voor PSSM2 of MFM; niet alle testen zijn wetenschappelijk gevalideerd via peer-reviewed publicaties. Bij jonge paarden kan bovendien een spierbiopt vals-negatief zijn omdat desmine-aggregatie mogelijk later ontstaat dan de klinische verschijnselen.

Voor MFM-WB met normaal gewicht: hooi met 12–15% NSC, gecombineerd met krachtvoer met 20–30% NSC, 4–8% vet en 10–12% eiwit.

Bij overgewicht, equine metabolic syndrome of donkere glycogeenkleuring in het spierbiopt wordt een lager NSC-rantsoen aangehouden.

CK als klinisch hulpmiddel

Bij spierstijfheid, zweten, inspanningsintolerantie en andere verschijnselen passend bij ER ondersteunt een verhoogde serum-CK de aanwezigheid van spiervezelschade. Bij inspanningsintolerantie met normale of slechts licht verhoogde CK moet onder andere MFM-WB worden overwogen, nadat andere oorzaken van slecht presteren zijn uitgesloten.

CK bepaling 4-6u na de inspanning kan nuttig zijn.

Conclusie

Voeding bij equine myopathieën begint bij de diagnose. PSSM1 en PSSM2-ER vragen om sterke controle van NSC, waarbij extra vet alleen zinvol is wanneer de energiebehoefte daar ruimte voor laat. RER wordt eveneens behandeld met minder NSC en meer vet, maar de restrictie hoeft niet zo uitgesproken te zijn als bij PSSM. Bij MFM-ER en MFM-WB verschuift de aandacht naar voldoende kwalitatief eiwit en specifieke aminozuren, een gematigde NSC-inname, minder extra vet en ondersteuning van antioxidatieve mechanismen.

Een paard met overgewicht en PSSM heeft geen behoefte aan extra calorieën omdat “vet goed is voor PSSM”. Een Warmbloed met inspanningsintolerantie en normale CK heeft evenmin automatisch baat bij een extreem laag-NSC, vetrijk rantsoen omdat eerder het label PSSM2 werd gebruikt.

Referentie

Pagan, J. D., & Valberg, S. J. (2025). The role of nutrition in managing muscle disorders. Veterinary Clinics of North America: Equine Practice, 41, 151–163.
Valberg, S. J. (2018). Disorders of the musculoskeletal system. In S. M. Reed, W. M. Bayly, & D. C. Sellon (Eds.), Equine Internal Medicine (4th ed., pp. 542–579). Elsevier.

Gerelateerde Vet Info's

14 oktober, 2026

Ongewenste bijwerkingen bij het paard: herkennen, verklaren en voorkomen

Geneesmiddelen die dagelijks in de paardenpraktijk worden gebruikt, kunnen ook bij correcte dosering en toediening klinisch relevante ongewenste effecten veroorzaken. Antibiotica-geassocieerde diarree, NSAID-geïnduceerde rechter dorsale...

23 september, 2026

Voeding bij inspanningsgebonden myopathieën: niet elk paard met spierproblemen heeft hetzelfde rantsoen nodig

Inleiding Voeding is, naast beweging, een belangrijk onderdeel van de behandeling van paarden met myopathieën. De kern is echter niet simpelweg “minder zetmeel en meer...

8 september, 2026

Equine neonatale isoerytrolyse

Inleiding Neonatale isoerytrolyse (NI) is een immuungemedieerde hemolytische aandoening bij het pasgeboren veulen. De aandoening ontstaat wanneer het veulen maternale antistoffen opneemt die gericht zijn...