Inleiding
Salmonellose bij het paard is een infectieuze enterocolitis veroorzaakt door Salmonella enterica, een gramnegatieve, facultatief anaerobe bacterie. In de paardenpraktijk is vooral de combinatie van acute diarree, endotoxemie en nosocomiaal risico belangrijk. Niet elk paard dat Salmonella uitscheidt, heeft diarree. Dat maakt de aandoening lastig: tegen de tijd dat het eerste duidelijke klinische geval opvalt, kan er al omgevingscontaminatie zijn.
De infectie is bovendien zoönotisch. Mest, besmet materiaal, thermometers, emmers, laarzen en handen van personeel kunnen allemaal een rol spelen in verdere verspreiding.
Etiologie en pathogenese
Salmonella enterica omvat meerdere serovars. Bij paarden worden onder andere S. enterica serovar Typhimurium en serovar Agona geassocieerd met klinische ziekte. De virulentie verschilt per serovar en per stam. Ook de gastheer speelt een grote rol: een gezond volwassen paard ontwikkelt niet automatisch ziekte na blootstelling, terwijl dezelfde blootstelling bij een gehospitaliseerd, gestresseerd of gastro-intestinaal ziek paard wél klinisch relevant kan worden.
De normale afweer tegen Salmonella bestaat uit maagzuur, een stabiele intestinale microbiota, normale darm motiliteit, een intacte mucosale barrière en lokale darm immuniteit. Factoren die deze bescherming verstoren, verlagen de drempel voor kolonisatie en ziekte. Denk aan transport, anesthesie, chirurgie, koliek, dieetveranderingen, antibioticagebruik, langdurige hospitalisatie, systemische ziekte en immunosuppressie.
Na orale opname koloniseert Salmonella vooral het caecum en colon. De bacterie kan de darmmucosa binnendringen, onder meer via M-cellen, en gebruikt virulentiemechanismen zoals type III-secretiesystemen om interactie met enterocyten en immuuncellen te sturen. Het resultaat is geen eenvoudige “infectieuze diarree”, maar een combinatie van invasie, mucosale ontsteking, secretie, epithelial damage en verlies van barrièrefunctie.
De diarree ontstaat door meerdere mechanismen tegelijk. Enterotoxinen stimuleren chloride- en watersecretie. Cytotoxische effecten beschadigen enterocyten. De ontstekingsreactie vergroot de mucosale permeabiliteit. Bij ernstige gevallen ontstaat fibrinonecrotische typhlocolitis met verlies van vocht, eiwit en elektrolyten. Endotoxemie, bacteriële translocatie en hypovolemische of septische shock kunnen het klinische beeld snel domineren.
Bij volwassen paarden blijft de infectie vaak beperkt tot het maagdarmkanaal. Veulens hebben een groter risico op bacteriëmie en septicemie. Dat verschil is klinisch belangrijk: bij een veulen met koorts, depressie en diarree moet Salmonella niet alleen als enterale pathogeen worden bekeken, maar ook als mogelijke oorzaak van systemische infectie.
Epidemiologie en risicofactoren
Asymptomatische uitscheiding is een belangrijk onderdeel van de epidemiologie. Een paard kan Salmonella uitscheiden zonder diarree of met alleen koorts, anorexie of neutropenie. Dat maakt triage op basis van diarree alleen onvoldoende. Zeker in een kliniekomgeving moet een paard met koorts, leukopenie of gastro-intestinale ziekte ook vóór het ontstaan van diarree als potentieel risico worden beschouwd.
Uitscheiding kan intermitterend zijn. Een negatief meststaal sluit salmonellose dus niet uit. Dat is een van de redenen waarom herhaalde staalname nodig blijft bij verdachte patiënten. Ook klinisch herstelde paarden kunnen nog enige tijd uitscheiden. De duur daarvan varieert, maar is lang genoeg om infectiecontrole na klinisch herstel niet te snel los te laten.
Nosocomiale verspreiding wordt vooral gezien waar veel risicopatiënten samenkomen: koliekpatiënten, intensieve zorg, postoperatieve paarden, veulens, paarden met systemische ziekte en paarden die antibiotica kregen. Drukke periodes, gedeeld materiaal, onvoldoende reiniging tussen patiënten en het te laat isoleren van verdachte gevallen verhogen het risico.
Salmonella kan goed overleven in vochtige, organisch vervuilde omgevingen. Reiniging vóór desinfectie is daarom enorm van belang. Organisch materiaal vermindert de werking van veel desinfectantia. Mest, strooisel, voederresten en biofilms moeten eerst fysiek verwijderd worden voordat desinfectie zinvol is.
Klinisch beeld
In de praktijk worden vier presentaties onderscheiden:
- subklinische infectie of dragerschap;
- koorts en neutropenie zonder diarree;
- acute enterocolitis met diarree;
- septicemie, vooral bij veulens.
Bij acute enterocolitis zijn koorts en anorexie vaak vroege tekenen. Diarree kan pas later ontstaan, soms 24 tot 48 uur na de eerste systemische symptomen. Dat tijdsverloop is belangrijk. Een gehospitaliseerd paard met koorts en neutropenie verdient al maatregelen vóór de stal vol waterige diarree ligt.
Typische klinische bevindingen bij ernstige salmonellose zijn waterige diarree, tachycardie, tachypneu, dehydratie, zwakke perifere perfusie, koude extremiteiten, koorts of juist hypothermie, koliek, ileus en tekenen van endotoxemie. Bij rectaal onderzoek kunnen vochtgevulde darmlussen of een oedemateus colon worden gevoeld, maar een normaal rectaal onderzoek sluit ernstige colitis niet uit. Echografie is van belang om de darmen verder te beoordelen. Hematologisch worden vaak leukopenie, neutropenie, lymfopenie en soms trombocytopenie gezien. Een degeneratieve linksverschuiving past bij ernstige ontsteking en is prognostisch ongunstig. Biochemisch kunnen hypoproteïnemie, hypoalbuminemie, elektrolytenstoornissen, metabole acidose, lactaatstijging en prerenale azotemie aanwezig zijn. Bij ernstig verlies van eiwitten (protein-losing enteropathy) kan oedeemvorming klinisch relevant worden.
Diagnostiek
De diagnose wordt gesteld door Salmonella aan te tonen in mest, rectale mucosa, bloed of weefsel, afhankelijk van de klinische presentatie. In de praktijk gebeurt dit meestal via mestonderzoek met cultuur, PCR of een combinatie van beide.
De gevoeligheid van één enkel meststaal is beperkt door intermitterende uitscheiding en lage bacteriële aantallen. Daarom worden bij verdachte paarden meerdere meststalen aanbevolen, meestal drie tot vijf stalen met 12 tot 24 uur interval. Enrichment-cultuur verhoogt de kans op detectie. Ook is het bekomen van een antibiogram nuttig, om de therapie te sturen en 3de generatie antibioticums te (proberen) vermijden.
PCR op mest is sneller en gevoeliger dan klassieke cultuur, maar detecteert DNA en niet noodzakelijk levende bacteriën. Een positief PCR-resultaat moet dus worden geïnterpreteerd naast kliniek, epidemiologische context en eventueel cultuur. Een positieve PCR bij een asymptomatische uitscheider is epidemiologisch relevant, maar niet hetzelfde als de diagnose van klinische salmonellose.
Bij veulens met verdenking van septicemie is een bloedcultuur aangewezen. Bij overleden dieren kunnen darmwand, mesenteriale lymfeknopen, lever, milt en andere weefsels worden onderzocht. In een uitbraaksituatie is serotypering of verdere typering nuttig om transmissiepatronen te begrijpen.
Behandeling
De behandeling van salmonellose bij volwassen paarden is in hoofdzaak ondersteunend. Het doel is niet “de diarree stoppen”, maar circulatie, perfusie, elektrolytenbalans, eiwitstatus en endotoxemie onder controle krijgen terwijl de darm herstelt.
Vloeistoftherapie is de basis. De hoeveelheid en samenstelling hangen af van dehydratie, verliezen, elektrolyten, zuur-base-status, nierfunctie en circulatoire parameters. Bij ernstige hypoproteïnemie kan colloïdale ondersteuning of plasma nodig zijn. Dit is kostelijk en werkt maar kortdurend. Elektrolyten moeten actief worden opgevolgd en gecorrigeerd, vooral natrium, kalium, chloor, calcium en magnesium.
Endotoxemie vraagt vroege herkenning. NSAID’s worden vaak gebruikt voor analgesie en anti-endotoxische effecten, maar vragen voorzichtigheid bij hypovolemie, niercompromis of ernstige protein-losing enteropathy. Polymyxine B wordt in sommige settings gebruikt als anti-endotoxinetherapie, maar nierfunctie en hydratatiestatus moeten daarbij nauw worden opgevolgd.
Antibiotica zijn bij volwassen paarden met ongecompliceerde salmonella-enterocolitis niet standaard aangewezen. De behandeling blijft in eerste instantie ondersteunend, omdat antimicrobiële therapie de intestinale microbiota verder kan verstoren en mogelijk invloed heeft op de uitscheiding. Parenterale antibiotica kunnen wél verantwoord zijn bij patiënten met aanwijzingen voor bacteriëmie, septicemie, septische shock, ernstige neutropenie met systemische achteruitgang of een duidelijke extra-intestinale infectiehaard. Bij veulens met systemische ziekte ligt de drempel voor antimicrobiële therapie lager. Wanneer antibiotica worden ingezet, kies dan voor gramnegatieve dekking, bij voorkeur op basis van cultuur en gevoeligheidsbepaling. In afwachting daarvan kan empirisch worden gestart met bijvoorbeeld een aminoglycoside gecombineerd met een beta-lactam, of met ceftiofur wanneer aminoglycosiden klinisch minder geschikt zijn. Fluoroquinolonen, zoals enrofloxacine of marbofloxacine, (3de generatie!) zijn bij salmonella-enterocolitis geen standaardkeuze. Ze kunnen hoogstens als reserve-optie worden overwogen bij duidelijke bacteriëmie, septische shock of een extra-intestinale infectiehaard, ook hier bij voorkeur op basis van cultuur en gevoeligheidsbepaling. Bij veulens worden fluoroquinolonen in principe vermeden wegens risico op kraakbeenschade. TMPS is evenmin een eerste keuze bij acute salmonella-colitis: het is meestal oraal, kan de intestinale microbiota verder verstoren en de opname is bij ernstige colitis onzeker. Bij volwassen paarden zonder sepsis blijft ondersteunende therapie de basis; wanneer antibiotica nodig zijn, verdient parenterale gramnegatieve dekking dus de voorkeur.
Voeding verdient aandacht. Volledig uitvasten is zelden een oplossing. Kleine hoeveelheden goed verteerbaar voer kunnen worden aangeboden zodra de klinische toestand dit toelaat. Bij ernstige colitis, ileus of reflux moet enterale voeding individueel worden beoordeeld. Stress, transport en onnodige manipulatie moeten worden beperkt/vermeden.
Complicaties en prognose
Complicaties bepalen vaak de uitkomst. Belangrijke complicaties zijn laminitis, acute nierinsufficiëntie, thromboflebitis, DIC, ernstige hypoalbuminemie, chronische malabsorptie, gastro-intestinale infarcering en secundaire infecties.
Prognose hangt af van de ernst van endotoxemie, duur en volume van diarree, mate van neutropenie, nierfunctie, lactaat, eiwitverlies en het optreden van complicaties. Aanhoudende tachycardie ondanks therapie, stijgende creatinine, ernstige leukopenie met degeneratieve linksverschuiving, DIC, laminitis en multi-orgaanfalen zijn ongunstige signalen.
Infectiecontrole
Bij salmonellose is behandeling van de patiënt maar één deel van het werk. Het andere deel is voorkomen dat de patiënt een bron wordt voor de rest van de stal of kliniek.
Verdachte paarden worden geïsoleerd. Wacht niet op de uitslag wanneer kliniek en risicoprofiel passen. Persoonlijke beschermingsmiddelen, aparte materialen, duidelijke looplijnen en consequente handhygiëne zijn nodig vanaf het begin. Emmers, thermometers, sondes, stethoscoop en schoonmaakmateriaal niet delen onder verschillende patiënten.
Reiniging en desinfectie gebeuren in stappen: eerst organisch materiaal verwijderen, daarna schuren, drogen indien mogelijk, desinfecteren met een geschikt product en correcte contacttijd wanneer het oppervlak droog is. Mest en besmet strooisel moeten veilig worden afgevoerd. Transportmiddelen en laadkleppen worden niet vergeten; die zijn in de praktijk vaak de zwakke schakel. Kies bij verdenking van salmonellose voor een lokaal toegelaten veterinair desinfectans met bactericide claim voor PT3-gebruik. Praktisch relevante actieve bestanddelen zijn onder meer accelerated hydrogen peroxide, kaliumperoxymonosulfaat, perazijnzuur, hypochloriet en, in bepaalde formuleringen, glutaraldehyde. Quaternaire ammoniumverbindingen zijn minder geschikt als enige maatregel bij hoog Salmonella-risico, zeker bij organische belasting of biofilm. Mechanische reiniging vóór desinfectie blijft bepalend: mest, strooisel, voederresten en biofilm verminderen de werking van veel desinfectantia sterk.
Conclusie
Salmonellose bij het paard is geen diagnose die je pas overweegt wanneer de diarree klassiek en overvloedig is. Koorts, neutropenie, koliek, hospitalisatie, antibioticagebruik of systemische ziekte kunnen al genoeg reden zijn om het paard als verdacht te behandelen. Dat is vooral belangrijk omdat uitscheiding intermitterend en soms asymptomatisch is.
Klinisch draait de aanpak rond drie lijnen: vroeg isoleren, herhaald testen en intensief ondersteunen. Bij volwassen paarden is de behandeling meestal ondersteunend; antibiotica zijn echt voorbehouden voor geselecteerde gevallen. Voor de stal of kliniek is infectiecontrole minstens even belangrijk als de individuele therapie. Een gemist of te laat geïsoleerd geval kan meer schade veroorzaken dan het ene zieke paard alleen.
Referenties
Divers T.J. & Barton M.H. (2018). Disorders of the gastrointestinal system. In Reed S.M., Bayly W.M. & Sellon D.C. (Eds.), Equine Internal Medicine (4th ed.). Elsevier.
Sellon D.C. & Long M.T. (Eds.). (2014). Equine Infectious Diseases (2nd ed.). Elsevier Saunders.